Ervaringen – Hij was een perfect mini-mannetje

Leo en ik hebben elkaar begin 1999 op het werk leren kennen. Het was zeker geen sprake van liefde op het eerste gezicht; sterker nog, ik ergerde me aan ‘die nieuweling met die grote bek’. Maar omdat we samen op één project werden gezet, werden we wel gedwongen tot nauwe samenwerking. In zo’n situatie kan het twee kanten opgaan: of het komt tot een uitbarsting of je leert elkaar accepteren en waarderen. Bij ons gebeurde het laatste. Binnen een paar maanden kwam daar ook nog eens ‘van elkaar houden’ bij.

Niet overal werd onze relatie toegejuicht. Dit had onder meer te maken met het leeftijdsverschil, ik was vijfendertig, Leo zesenvijftig. Zelf heb ik ook wel eens mijn twijfels gehad. Vooral omdat ik al jarenlang een sterke kinderwens koesterde en Leo zich afvroeg of het verstandig was om op zijn leeftijd nog aan kinderen te beginnen. Hij had een volwassen zoon uit een vorig huwelijk met wie hij tot zijn verdriet geen contact meer had. Was hij nog in staat om een goede vader te zijn? Na veel diepgaande gesprekken heeft hij uiteindelijk de stap durven zetten. Op datzelfde moment besloten we ook om te gaan samenwonen. Eerst eens kijken of dat goed zou verlopen en dan zou ik me na een halfjaar medisch laten onderzoeken of ik met mijn tromboseverleden wel zwanger mócht worden
Het samenwonen ging perfect en ook lichamelijk gezien stond niets een zwangerschap in de weg. Ik zou alleen na de bevalling aan de bloedverdunners moeten. Het sein stond op groen.

Meteen de eerste maand was het raak. Leo was al op zijn werk, toen ik ’s ochtends met trillende handen de test deed. Ik was pas één dag overtijd en durfde het haast niet te geloven. Voor de zekerheid heb ik nóg een test gekocht, maar toen ook deze positief bleek te zijn, stroomde de tranen over mijn wangen. Ik was zwanger! Ik ben meteen een piepklein, geel badjasje gaan kopen dat ik samen met de teststaafjes heb ingepakt. Toen Leo later die dag thuiskwam, duwde ik hem het pakje in zijn handen. Hij pakte het uit en keek een beetje onnozel naar dat badjasje, maar toen zag hij de twee teststaafjes. ‘Betekent dit dat je zwanger bent, Marion?’ ‘Ja!’ riep ik blij. ‘Goh, dat is snel’, antwoordde hij een beetje beduusd.
Nu het zover was, moest Leo toch even aan het idee wennen. Maar daarna was hij het die alle goede voornemens om het niet meteen wereldkundig te maken, overboord gooide. Al na een paar dagen vertelde hij het aan iedereen die het maar wilde horen. Niet echt slim, want er kon nog van alles misgaan, maar in ieder geval wel enthousiast en vooral heel trots!
Afgezien van een pijnlijke bekkeninstabiliteit mocht ik tijdens de zwangerschap nergens over klagen. Alles leek prima te gaan tot ik in de zevenentwintigste week het gevoel kreeg dat de baby wat minder beweeglijk was geworden. Dit viel vooral op, omdat hij juist zo’n drukte schopper kon zijn. Hij liet altijd op vaste tijden van zich horen: ’s ochtends als ik me opmaakte, ’s middags op mijn werk, vroeg in de avond als ik lui op de bank tv lag te kijken en tot slot nog een vreugdedansje vlak voor het slapengaan. En ineens was daar die onheilspellende rust in mijn buik.
Een week later zou ik op controle moeten komen bij de gynaecoloog en omdat ik af en toe nog wel een beentje voelde, besloten we die afspraak gewoon af te wachten en niet meteen in paniek naar het ziekenhuis te rennen.

Die afspraak stond op woensdag 3 oktober, in het Bronovo-ziekenhuis. Pas aan het einde van het consult zei ik dat ik onze baby wat minder voelde bewegen in mijn buik. Ik verbaasde me over de schrikreactie van de arts, ik had toch niet gezegd dat ik totaal géén beweging meer voelde? Hij nam ons echter meteen mee voor het maken van een echo. Daarop zagen we duidelijk het hartje kloppen, wat mij weer een gerust gevoel gaf. Waar een hartje klopt is leven, toch? Niets aan de hand! Maar blijkbaar was de arts niet zo tevreden over wat hij zag, hij wilde een bewegingsactiviteitenfilmpje laten maken. Mijn buik werd aangesloten op een monitor die de bewegingen van onze baby registreerde. Leo en ik werden even alleen gelaten. Samen keken we naar de resultaten. We zagen een vrij gelijkmatige lijn met weinig grote pieken en dalen wat ons – onnozele gansjes – weer geruststelden. ‘Ziet er goed uit’, zeiden we tegen elkaar. Waarop we dat baseerden? Geen idee. Je ziet toch wat je wilt zien. Tussendoor kwam een assistent het strookje afscheuren om het aan de gynaecoloog te laten zien. Nog geen vijf minuten later kwam de arts zelf en nam plaats aan mijn bed. Hij legde zijn hand op mijn arm. ‘Jullie zullen we begrepen hebben dat we niet zo tevreden zijn. We willen je laten opnemen.’
Op dat moment drong de ernst van de situatie absoluut nog niet tot ons door, we hadden immers ons kindje net nog levend en wel in mijn buik zien zitten? En we hadden duidelijk het hartje zien kloppen. Wat kon er dan mis zijn? We werden meegenomen voor het maken van een echo flow. Met deze echo kon de doorbloeding van de navelstreng worden gemeten. Nog steeds vol goede hoop nam ik plaats op de bank en liet mij opnieuw insmeren met gel. Een vriendelijke, vrouwelijke arts bekeek alle beelden uiterst zorgvuldig. ‘Jullie zullen wel begrepen hebben dat jullie kindje het niet meer naar zijn zin heeft in je buik’, zei ze. Begrepen? Ik begreep helemaal niets! Waarom niet dan? Ze liet ons zien dat er bijna geen vruchtwater meer was en vroeg of ik misschien vruchtwater had verloren. Ik had helemaal niets verloren. Maar waar was het dan gebleven?
Opnieuw werd er een bewegingsactiviteitenfilmpje van de baby gemaakt. Deze keer een langer filmpje. Na een uur – voor mijn gevoel na úren – kwam de gynaecoloog weer binnen. Hij ging aan mijn bed zitten en op het moment dat hij mijn hand pakte, sloeg de paniek bij mij toe. Dit was géén goed teken!
‘Wij hebben de testresultaten doorgefaxt naar het LUMC in Leiden en zij zijn het met ons eens dat er geen tijd te verliezen is. We moeten jullie kindje nú gaan halen, de operatiekamer is al in gereedheid gebracht. Vandaag word je moeder.’ Tranen schoten in mijn ogen en mijn hart stond stil van schrik. ‘Maar het is nog een erwtje, hij is nog veel te klein om geboren te worden!’ Ik wilde gillen, schreeuwen, slaan, maar het enige dat ik de3ed was Leo verschrikt aankijken. Binnen de kortste keren stonden er verpleegkundigen om me heen om me klaar te maken voor de operatie. Ik huilde, terwijl zij aan mijn sokken trokken, een katheter inbrachten, mijn kleding uittrokken en een naald in mijn hand prikten. Ik liet alles maar over me heenkomen. Wat moest ik anders? Binnen een paar minuten was alles geregeld en werd mijn bed naar het ok gereden. Allerlei emoties volgden elkaar in rap tempo op: angst, verdriet, verslagenheid, maar ook hoop en zelfs een stukje vreugde. Ik zou immers ons kindje gaan zien! Maar liefst dertien specialisten en verpleegkundigen stonden klaar om het geboren te laten worden! Dat gaf me een goed gevoel. Ons kindje werd, met zijn achtentwintig weken, serieus genomen. Het was een mes en verdiende een serieus gevecht.
Leo stond bij me en streelde mijn gezicht, terwijl ik vastgebonden op de operatietafel lag. Aan de andere kant waren de artsen aan het werk om onze baby te halen. Het was 15.17 uur toen zacht gehuil ons liet weten dat onze zoon Nick Leroy Manolo was geboren. Vanuit mijn ooghoeken zag ik ons kleine mannetje liggen, terwijl de artsen druk bezig waren met hem. Nick moest per ambulance weggebracht worden naar het Juliana Kinderziekenhuis. Vlak vóór ze hem meenamen, mochten Leo en ik hem nog een snelle, kleine knuffel geven. Nick woog slechts 895 gram en was héél klein. Maar ondanks dat was het een prachtig mannetje met kleine, donkere krulletjes. Een perfect minimannetje. Na het afscheid werden er twee polaroidfoto’s van Nick neergezet. Zo was hij toch een beetje bij ons. De artsen hadden inmiddels de boosdoener gevonden. Nick had in mijn buik een grote knoop in de navelstreng gezwommen. Wellicht was dit de reden dat hij niet voldoende voedingsstoffen en zuurstof meer had gekregen. De placenta zou nog verder worden onderzocht.
Nadat de buikwand was gehecht, werd ik naar de uitslaapkamer gebracht. Daar lag ik dan, alleen met een lege buik en naweeën waar ik niets mee wist te beginnen. Een verpleegkundige kwam naar mij toe en feliciteerde mij. Maar waarmee? Ik wist niet eens of ons mannetje het wel zou redden. Ik kon geen vreugde voelen, alleen maar angst en verdriet. Starend naar het plafond alsof daar wat rust vandaan kon komen. Wat voelde ik mij alleen en vooral: wat voelde ik mij leeg. Na een half uur of zo hebben ze mij naar mijn kamer gebracht. Daar werd ik opgewacht door Leo, mijn ouders en een goede vriend. Door iedereen werd ik gefeliciteerd, maar ik vroeg me nog steeds af waarmee? Dit kon toch niet de bedoeling zijn?
Leo zou nog diezelfde middag met min ouders naar Nick gaan in het Juliana Kinderziekenhuis. Ik wilde schreeuwen dat ik zijn moeder was en óók naar hem toe wilde, maar ik zei niets. Ruim zes maanden had ik Nick bij me gedragen en nu hij geboren was, was ik zo ver van hem vandaan… Gelukkig kwam een verpleegkundige vertellen dat ik de volgende ochtend per ambulance naar Nick zou worden gebracht. Dat was in ieder geval een fijn idee. ’s Nachts kon ik niet slapen. Meerdere keren heb ik naar het JKZ gebeld om naar Nick te informeren. Er kwamen wel wat positieve berichten, maar ik was er toch niet gerust op. Hij had al een keer zelf geplast, maar hij had ook wat morfine gekregen om rustig te worden. Hij wilde niet aangeraakt worden en lag met iedereen te vechten, waardoor hij hoofdzakelijk tegen zichzelf vocht. De hele nacht heb ik over hem liggen piekeren, ik verlangde ernaar om hem te zien.
De volgende ochtend kwamen medewerkers van de ambulance mij halen en werd ik naar het JKZ vervoerd. Daar lag onze kleine Nick, ene tube in zijn neus, aangesloten aan diverse monitoren en omringd door spuiten en slangen. Voorzichtig heb ik mijn hand door het gat van de couveuse gestoken en op zijn kleine lichaampje gelegd. Terwijl ik zo bij hem zat met mijn hand op zijn lijfje overviel me een vreselijke vermoeidheid. Vechtend tegen het dichtvallen van mijn ogen heb ik nog even volgehouden, uiteindelijk heb ik de verpleegkundigen gevraagd de ambulance weer te laten komen.
Terug in Bronovo kon ik echter nog steeds niet toegeven aan die overweldigende slaap die zich van mij meester wilde maken. De telefoon bleef rinkelen. Iedereen wilde weten hoe het ging met mij en Nick. Natuurlijk is medeleven fijn, maar ik kon het op dat moment even niet opbrengen. Wat had ik die mensen te vertellen? Dat het goed ging? Ik vond dat het helemaal niet goed ging! Van ellende heb ik de telefoon van de haak gegooid en geprobeerd een beetje uit te rusten. Maar ik had amper mijn ogen dicht of Leo stond voor m’n neus. ‘We moeten even praten. Kom , ik breng je met je bed naar de rokerskamer.’
Terwijl hij voor zichzelf een sigaretje opstak, vertelde hij dat hij contact had gehad met de behandelend arts van Nick. Nick zou vandaag nog per ambulance naar het LUMC worden vervoerd. Er was geen reden voor paniek, maar in het LUMC hadden ze een betere zuurstofmachine. Nicks longetjes wilden nog niet goed op gang komen en de zuurstofmachine in Leiden zou de zuurstof trillend bij Nick naar binnen brengen wat beter was voor zijn longetjes. Aan mij de vraag of ik ook naar het LUMC overgeplaatst wilde worden. Natuurlijk wilde ik dat! Dan was ik dichtbij Nick en zou hem veel vaker kunnen zien. Domme vraag!

Om vier uur werd Nick overgeplaatst naar Leiden, ik een uur later. Eenmaal in Leiden werden we nog niet bij hem gelaten. Pas als de artsen van de afdeling neontologie met hem klaar waren, en dan zou ook zij behandelend arts met ons willen praten. Zenuwachtig zaten we daar te wachten tot we werden gehaald om naar Nick toe te gaan. Wat een vreselijk gezicht was dat! Ons kleine mannetje lag daar trillend – door die zuurstofmachine – in zijn couveuse, omringt door wel vijftien verschillende apparaten. Zijn behandelend arts vertelde ons dat het slecht ging met Nick. Eén longetje was niet tot ontwikkeling gekomen en het andere longetje vertoonde symptomen van longemfyseem. Nog niet eerder werden we zo hard met de neus op de feiten gedrukt. Tranen liepen over onze wangen toen wij nog even bij ons mannetje zaten en onze handen op zijn kleine lichaampje legden. ‘Zet ‘m op kleintje, je kunt het! Mama en papa houden van je!’

De tweede nacht heb ik weer geen oog dichtgedaan. Mijn gedachten waren continu bij Nick. Verschillende keren heb ik naar neonatologie gebeld om naar hem te informeren. Steeds meer sombere berichten volgden elkaar op. Hij kon niet meer zelfstandig plassen en had daarom een katheter gekregen, hij lag aan de maximale zuurstof en er trad maar geen verbetering op. Tegen het einde van de nacht heb ik de moed opgegeven om nog te bellen, ik kon al die sombere berichten niet meer aanhoren. Ik zou op Leo wachten en pas samen met hem weer naar Nick informeren. Ook nam ik mij voor om niet langer meer in bed te blijven. Ik zou de verpleegkundigen vragen om een roelstoel, want dan kon ik makkelijker, beter en dus vaker bij Nicks couveuse komen.
Maar nog vóór Leo er was, werd ik al van de kamer gehaald. Het ging niet goed met Nick, Leo werd met spoed gebeld. De arts wilde met ons praten, maar wachtte op Leo. Daar zat ik, alleen bij ons mannetje dat dapper lag te vechten in zijn couveuse. Maar voor wie? Voor wat? Ik heb mijn handen op hem gelegd en gezegd hoeveel ik van hem hou en dat hij het zou redden. Maar mijn angst en verdriet was te groot om echt overtuigend te klinken. Nick keek mij even met één oogje aan, om vervolgens weer verder te slapen.
Terwijl ik bij hem zat, plaatsten ze een grote lamp boven hem. Hij was aan het verkleuren en kreeg lichttherapie. Omdat dit felle licht schadelijk was voor zijn oogjes, werden deze afgeplakt. Wat een vreselijk gezicht was dat! Het enige wat ons mannetje tot nu toe nog had kunnen doen, was kijken. En nu werd dit hem ook nog ontnomen. Vreselijk! Eindelijk kwam Leo aangerend en samen kregen we van de arts te horen hoe slecht het ging met Nick. Hij lag aan de maximale beademing, kreeg de maximale dosis medicijnen voor zijn bloeddruk, had één longetje wat niet opgekomen was en één longetje waarvan ze vreesden dat er een longblaasje zou gaan knappen, hij had een hersenbeschadiging opgelopen door het gebrek aan zuurstof, zijn niertjes en levertje werkten bijna niet meer, hij had inmiddels een infectie opgelopen en ook werd gevreesd voor een hersenbloeding. Al eerder was aangegeven dat Nick door het gebrek aan zuurstof meervoudig gehandicapt zou zijn en nu was de vraag of wij in geval van nood nog wilden dat hij gereanimeerd zou worden; alleen zou niemand meer kunnen garanderen dat hij dan niet zou gaan lijden. Wat doe je dan? Dat ons mannetje zou lijden, was het laatste wat wij wilden. Gelijktijdig hebben Leo en ik aangegeven dat we niet meer wilden dat hij nog gereanimeerd zou worden.
Na dat gesprek zijn we samen bij Nick gaan zitten en hebben hem zachtjes ingefluisterd dat hij van ons mocht vliegen, als hij niet meer verder wilde. Voor ons hoefde hij deze harde, ongelijke strijd niet te leveren, voor ons hoefde hij niet te vechten. Hij had genoeg geleden. Liefde is bij elkaar willen zijn, échte liefde is kunnen loslaten….
Terwijl ik mijn hand op zijn lichaampje legde en deze woorden tegen hem sprak, zag Leo de hartslag van Nick dalen van 180 naar 140. Zodra ik mijn hand weghaalde, steeg zijn hartslag weer in een recordtempo. Deze prachtige ervaring deed ons beseffen dat er al zeker een bad was met mijn, zijn mama, hoe klein hij ook was.
Gevraagd werd of wij hem nog wilden laten dopen. Dat wilden we graag en binnen ene uur werd er een pastor geregeld. Een lieve, vriendelijke groet, die met de tranen over haar wangen Nick heeft gedoopt. Mocht er een hogere macht bestaan, dan lag zijn lot nu ook in zijn handen.

Kort daarna kregen we te horen dat Nick nu erg was achteruitgegaan, het leek erop dat hij de strijd had opgegeven. Het zuurstofgehalte in zijn bloed was sterk gedaald en het einde leek steeds dichterbij te komen. Zijn behandelend arts werd teruggeroepen van huis en na grondig overleg is besloten Nick los te koppelen van alle machines, zodat hij op mijn borst in slaap kon vallen. Leo en ik kregen een apart kamertje waar ook Nick naar toe zou worden gebracht. Op de een of andere manier voelde ik naast de pijn en het verdriet ook een intense rust over me heen komen. Nick mocht gaan vliegen, hij werd uit zijn lijden verlost. Na een paar minuten werd hij in zijn couveuse binnen gereden. Nadat hij was losgekoppeld en alleen nog morfine toegediend kreeg tegen de pijn, werd hij voorzichtig op mijn borst gelegd. Eindelijk mocht ik ons mannetje in mijn armen houden, strelen en knuffelen. Alleen was het nu slechts om te mogen sterven. Omringd door onze liefde is hij heel rustig in een eeuwigdurende slaap gevallen. Op het moment dat zijn hartje stopte met kloppen, vloog een grote vogel langs het raam. Ons mannetje was gevlogen…

Meer informatie

Lees de ervaringen van anderen
Afscheidsgedichten

Bronvermelding

Tekst: Marion Middendorp
© afbeelding: 123rf.com

Geef een reactie